Demion

Members
  • Aantal bijdragen

    93
  • Geregistreerd

  • Laatst bezocht

Over Demion

  • Rang
    Advanced Member
  • Verjaardag 09-03-1976

Profiel informatie

  • Geslacht
    Male
  • Interesses
    Alles.

Recente profielbezoeken

1273 profielweergaven
  1. Demion

    Super-duper

    Hai. Ik ben een gemuteerde schildpad. Ik kan praten. Ook ben ik een ninja. Vandaar deze zwaarden. En een tiener, was ik ook. Want je weet: represent, dog! Of wat de jeugd van tegenwoordig ook zegt. Weet ik veel. Ik ben maar een schildpad. Maar dan wel gemuteerd! Dat kwam zo: een aantal jaar geleden waren wij nog heel gewone schildpadden, weet je wel. Groen, kruiperig, sla etend: erg gelukkig waren we niet met ons evolutionaire lot, maar hè. Wij woonden in een laboratorium. Niet als proefdieren, maar als huisdieren. Waarom wij als huisdieren in een laboratorium woonden, dat weet ik ook niet zeker. Waarschijnlijk om een link te leggen naar al dat wetenschappelijk gedoe waarmee wij zometeen in mutaties veranderen. Zie je, want een heel lief meisje, Daria Hoop genaamd, zij zorgde voor ons, en zij was zò lief! Maar haar papa, die in het laboratorium werkte, die had een evil fucker-baas, die niets liever wilde dan de hele wereld onderwerpen aan zijn demonisch hoongelach, dus die had haar papa misleidt, waardoor die een experimenteel serum per ongeluk inspoot in ons, schildpadden, waarna het laboratorium ontplofte maar wij het overleefden en het riool in spoelden waar we werden opgevangen door een rat die ook dat serum had gekregen en daardoor een ninja-master werd die ons alles leerde waardoor wij, helemaal aan het einde, een levende keukenmachine in mootjes konden hakken. Hai. Ik ben Spider-Man. Vroeger, toen ik nog geen Spider-Man was, woonde ik bij een stel fucked up ouders, die al vroeg in mijn leven gingen scheiden en mij daarmee met een gigantisch trauma opzadelden. De resulterende vechtscheiding nam zulke barbaarse vormen aan dat ik noodgedwongen bij mijn oom en tante ging wonen. Oom Ben was een lieve man. Een man van karakter, van eenvoudige doch sterke waarden en normen, wiens liefdevolle geduld er voor zorgde dat ik die rottige scheiding en mijn eigen verloren leven even achter me kon laten. En net op het moment dat ik gebeten word door een radio-actieve spin en ik eindelijk Spider-Man word, word oom Ben vermoord. In een real life scenario zou ik in zo'n geval waarschijnlijk binnen no time aan de Oxycontin verslaafd raken en voor een trein springen, maar in dit universum trek ik een maillot aan en schiet spinnenweb naar moordenaars. Hai. Ik ben Superman. Ik kom van een andere planeet. Toen ik nog een baby was is die ontploft, maar vlak daarvoor hadden mijn papa en mama mij in een speciaal ruimteschip gestopt, dat helemaal naar de Aarde vloog en daar landde in het veld van een stel heel erg eerlijke, rechtschapen, uit het juiste hout gesneden boeren. Zo eerlijk waren zij, dat zij keihard bleven liegen tegen alle regeringsorganisaties die zich maar bleven melden met radarbewijzen van een neergestort ruimtevaartuig in hun tuin. Zelfs toen zij later door zo'n beetje iedere leerkracht, buurvrouw en sportcoach er op gewezen werden dat hun zoontje wel erg vreemde kwaliteiten vertoonde voor een mensenkind, bleven zij stug volhouden dat er niets aan de hand was. Dit leidde uiteindelijk tot een volledige en onomkeerbare psychose en daarom zitten mijn niet-echte-papa -en mama nu samen in een gewatteerde cel in een particuliere kliniek in Hendrik-Ido-Ambacht. En trek ik elke avond een maillot aan. Hai. Ik ben Godzilla. Ooit was ik een hagedis. Toen begonnen jullie met atoombommen te smijten en... tja. Sorry nog, van New York. En Tokyo.
  2. Demion

    De poes van Bubbelientje

    Een verhaal in de geest van Kerstmis Nu was Bubbelientje een schat van een meid. Acht jaar oud, een IQ van 135 en zo bijdehand als de pest, zij was niet voor de poes! Die at namelijk voornamelijk brokjes. En af en toe een muis. Poes Mozambique, zo heette het dier. Bubbelientje had ooit, toen ze drie was, iets over dat land op tv horen voorbijkomen, had haar armpjes richting de op dat moment nog naamloze poes gestrekt en met een kirrend lachje 'Poes Mozambique!' gekraaid. En dat, zoals men dan zegt, was dat. Op een kwade dag was Poes Mozambique verdwenen. Bubbelientje had het hele huis en ook de tuin doorzocht, maar ze kon haar lieve poes nergens vinden. 'Mama, mama!' riep ze, 'Poes Mozambique is weg!' 'Kind, nee toch!' riep haar moeder. 'Wat nu, oh, wat nu toch te doen?' (Bubbelientjes mama was een wat dramatisch tiepje.) Bubbelientje keek haar mama aan en een ferme rimpel betrok haar gezichtje. 'Ik ga haar redden, natuurlijk! Poes Mozambique, here I come!' Ze drapeerde een rood kapje over haar blonde haardos, griste haar Hello Kitty-rugzakje vanonder de kapstok vandaan en trok de wijde wereld in, op zoek naar haar poes. Mama bleef in de deuropening achter, een traan langzaam vanuit haar ooghoek opwellend, biggelend, wiggelend, over haar wang... Bubbelientje stapte met kordate stapjes door de sneeuw. Nog geen honderd meter van haar ouderlijk huis verwijderd stopte een enorme vrachtauto naast haar. De deur aan de passagierskant werd opengeworpen en een dikke harige chauffeur, gekleed in een overall met daaronder een grauw en smerig T-shirt, boog zich naar haar toe en zei: 'zo, meisje? Heb jij misschien een lift nodig?' 'Jawel, meneer!' zei Bubbelientje. 'Wat aardig van u! Ik ben mijn poes kwijt, kunt u me misschien helpen zoeken?' 'Natuurlijk, kindje!' zei de chauffeur. 'Stap maar in!' 'Wacht eens even...' zei Bubbelientje, en daar was de denkrimpel weer. 'U bent toch niet toevallig een viezerik of zo, hè?' 'Welnee, mijn kind!' sprak de chauffeur joviaal, maar op zijn ongeschoren voorhoofd waren reeds kleine zweetdruppeltjes verschenen. Hm, dacht Bubbelientje bij zichzelf. Ik vertrouw deze bolle knakker voor geen meter. Van de andere kant: hij heeft wel een vrachtauto, en van daaruit is het beter zoeken naar een poes dan vanuit mijn eigen kleine blikveld. Dat gaf de doorslag. Bubbelientje klom de cabine in, trok het portier achter zich dicht en nestelde zich op de grote stoel. 'Vooruit maar!' zei ze. De chauffeur lachte een grimmig lachje, schakelde en reed weg. De chauffeur manoeuvreerde zijn dikke truck voorzichtig door de nauwe straatjes van het dorp. Bubbelientje zat op haar knieën op de zitting van de stoel en keek dor het raam naar buiten, speurend naar enig spoor van haar poes. De chauffeur schakelde nog eens, en liet toen zijn hand van de schakelpook naar de knie van Bubbelientje glijden. Ik wist het verdorie wel, dacht Bubbelientje. Zonder iets te zeggen haalde ze in een flitsende beweging een samoerai-zwaard uit haar Hello Kitty-rugzakje tevoorschijn en zette de punt van het blad tegen de keel van de chauffeur. Ze drukte even heel zachtjes en een druppeltje helderrood bloed verscheen op zijn huid. De chauffeur verstarde. De vrachtwagen rolde onbestuurd verder en kwam met een bons tot stilstand tegen een plastic arrenslee die voor de supermarkt geparkeerd stond. 'Uh... rustig maar, meisje...' stamelde de chauffeur. 'U, meneer, u bent een grote...' Bubbelientje dacht even na. 'Een trol! Dat is wat u bent! Een grote lelijke trol en ik zou eigenlijk hier ter plekke uw strot moeten doorsnijden, maar dat zou, volgens mijn mama tenminste, niet in de geest van Kerstmis zijn.' 'Uh... ja, kind...' zei de chauffeur. Bubbelientje maakte het portier open en liet zich uit de cabine glijden. Het samoerai-zwaard verdween weer in haar rugzakje. Ze smeet het portier dicht en liet de verbouwereerde chauffeur alleen achter. Terwijl achter haar de vrachtauto zich losmaakte van de arrenslee en hortend en stotend wegreed keek Bubbelientje om zich heen. Ze was in het centrum van het dorp. Naast haar was de supermarkt, tegenover haar de kerk, maar nergens een poes. Waar zou ze toch zijn, vroeg Bubbelientje zich wanhopig af. En hoe moet ik haar vinden, in deze grote wereld? 'Kan ik jou misschien ergens mee helpen, kleine meid?' sprak opeens een bolle stem achter haar. Bubbelientje zuchtte. Waren er dan alleen maar viezeriken in de wereld? Ze draaide zich om om ook deze trol een fikse uitbrander te geven, maar bleef toen met open mond staan. Voor haar stond de Kerstman. Krijg nou het rambam, dacht Bubbelientje. De Kerstman stond groot en rood en ditmaal echt joviaal tegenover haar en keek vriendelijk glimlachend op haar neer. 'Dag Bubbelientje' zei hij. 'Ik geloof dat jij iets kwijt bent, niet?' 'Kerstman, u... u bestaat echt?' Ditmaal was het aan Bubbelientje om te stamelen. 'Welzeker, Bubbelientje! Waar ook ter wereld kleine meisjes hun poes kwijtraken, daar zal ik er voor ze zijn!' 'Kunt u me helpen zoeken dan, Kerstman?' 'Natuurlijk!' zei de Kerstman, en hij wees naar zijn slee. Nu pas zag Bubbelientje dat de arrenslee niet zomaar een plastic stuk kerstversiering was, maar echt! Net zo echt als de zes rendieren, die gnoevend en snuivend witte wolkjes waterdamp de lucht in bliezen. Achter de zitting van de slee lag een enorme jutezak, aan alle kanten uitstulpend met hoekige vormen. De cadeautjes! Bubbelientjes ogen werden groot. 'Wauw, Kerstman!' riep ze verrukt. 'Dit kan... dit kan vliegen?' De Kerstman lachte bulderend, nam plaats op de met rood fluweel beklede bank en klopte met zijn behandschoende hand op het plekje naast hem. 'Ga maar zitten, Bubbelientje, dan merk je het vanzelf!' Hm, dacht Bubbelientje bij zichzelf. Vertrouw ik deze bolle knakker beter? Van de andere kant: hij had wel een vliegende arrenslee, en van daaruit was het nog veel beter naar poezen zoeken dan vanuit een ranzige vrachtwagencabine. Plus: dit was de Kerstman. Dat gaf de doorslag. Bubbelientje klom naast de Kerstman op de zitting van de slee. 'Vooruit maar!' riep ze. De Kerstman nam de teugels in zijn handen, gaf er een kort rukje aan en riep: 'Jaaa!' De rendieren spanden hun magische spieren en de slee kwam in beweging. In vliegende vaart nam hun snelheid zienderogen toe en binnen een tiental meters kozen zij al het tintelfrisse luchtruim. Bubbelientje hield zich met twee handen vast aan de reling van de slee en keek met grote ogen om zich heen. Onder haar werd het dorp snel kleiner en kwamen de witte akkers in beeld. Het was gaan sneeuwen en door het heldere licht van de maan leek het net of de lucht vol zat met sprankeldiamanten. Het was prachtig. Echter, hoe mooi het ook was, er was een probleempje. 'Kerstman' sprak Bubbelientje voorzichtig, 'dit is helemaal geweldig, maar we zitten veel te hoog! Van hieruit kan ik nooit mijn poes vinden!' 'Je hebt helemaal gelijk, lieve Bubbelien!' zei de Kerstman en gaf een ruk aan de teugels. De rendieren doken de diepte in en de slee dook er scherp achteraan. Met een waarlijk adembenemende snelheid schoten zij naar beneden. 'Yeehaa!' riep de Kerstman, terwijl hij met èèn hand de teugels vasthield en met de andere zijn muts op zijn hoofd hield. Bubbelientje greep zich met beide handjes nog steviger vast en gilde het uit van plezier. Vlak boven de bomen trok de Kerstman op en de slee rechtte zich weer. 'Wat vond je daarvan, Bubbelien?' 'Freakin' awesome!' riep Bubbelientje uit. Een helderrode blos scheen op haar wangen en haar ogen straalden. 'Kunnen we dat nog eens doen? Please?' vroeg ze. De Kerstman lachte zijn bulderlachje. 'Ik zou wel willen, Bubbelien' zei hij, 'maar ik heb vanavond nog heel veel te doen!' 'O ja, natuurlijk...' zei Bubbelientje. 'Maar hè' zei de Kerstman, 'zie eens waar je bent?' Bubbelientje keek naar beneden, en daar was haar eigen huis. En bovenop de schoorsteen, daar zat, jawel: Poes Mozambique. 'Poes! Daar ben je!' riep Bubbelientje verrukt. Ze strekte haar armen en pardoes sprong Poes Mozambique er zomaar in. 'O, Kerstman, dank u wel!' Ze sloeg haar armpjes nu rond de Kerstman en gaf hem een dikke knuffel. Dat ze daarbij bijna haar lieve poes verpletterde werd maar even door iedereen genegeerd. 'Tis al goed, kind, tis al goed...' zei de Kerstman. Hij landde zijn slee in de tuin en Bubbelientje en Poes Mozambique stapten uit. Hij gaf weer een rukje aan de teugels en de slee stoof weg in een wolk van sneeuw. Even nog was de slee met zijn rendieren zichtbaar als silhouet tegen de maanverlichte hemel, toen was hij verdwenen. Bubbelientje en Poes Mozambique renden het huis binnen. 'Mama, mama!' riep ze, 'ik moet je nù toch iets vertellen...!'
  3. Demion

    De straten van Toronto

    De straten van Toronto Waterval van klatergoud surrealistische dromen steeds dezelfde muziek en de eindeloze stad Mijl na mijl aan grimmig asfalt rolt langs mijn oude wielen ik en mijn Cadillac wij zweven rustig verder Een hand op het stuur de zon raakt de einder werpt zijn gouden licht dit is de wijd open wereld Mijn reis gaat verder geen eind is in zicht voor altijd verloren in de straten van Toronto :)
  4. Demion

    Frans Bauer is een alien

    Op een lankmoedige zomernamiddag ergens in het midden van augustus zat ik eens kalmpjes en zo stoned als een aap door het online woningaanbod te bladeren toen er plots en geheel onverwachts uit de eindeloze zwartheid van het heelal een piepklein ruimtescheepje zomaar kwam opduikelen. Niet veel groter dan de nagel van mijn pink landde het zonder pardon op de L van mijn toetsenbord. Verbaasd keek ik toe. Het gebeurt je ten slotte niet elke dag, dat er een klein ruimtescheepje op je toetsenbord landt. Mij niet, in elk geval. Het scheepje had de vorm van een kleine amandel, waarvan het achtereind uitliep in twee punten. Het had ook de klèur van een amandel, nu ik er over nadacht, en ik vroeg me af: wacht eens even... is dit nu een ruimtescheepje, of een vreemd gevormde amandel die toevallig op mijn toetsenbord dwarrelt? Ik was ten slotte erg stoned... Lang hoefde ik niet te twijfelen. Er klonk een heel zacht gesis en ik zag hoe een nòg piepkleiner wezentje uit het scheepje kwam gestapt. Ik boog mij eens voorover om het goed te bekijken. Ik moest mijn ogen een beetje toeknijpen: het wezentje was nauwelijks een paar millimeter groot. Wat ik ervan dacht te kunnen waarnemen was dat het in vorm een soort mensachtig wezentje was, daar ik armpjes en beentjes en een rompje en hoofdje kon onderscheiden. Ik kon niet iets van kleding zien, maar wel dat de onderste helft van zijn lichaam paars was, en de bovenste helft groen. 'Hm', dacht ik. 'Curieus.' Op dat moment draaide het wezentje zich om en zag mij. Ik meende dat ik daar beneden een zacht krijsen kon horen, maar helemaal zeker was ik niet. Nu zag ik het wezentje in paniek naar iets aan zijn zijde grabbelen. Hij vond het en richtte zijn armpje op mij. Wat er vervolgens gebeurde was ook hoogst curieus: ik voelde plots een tinteling, eerst op mijn borst en zich van daaruit rap verspreidend over mijn hele lijf. Even later begon de tv groter te worden. Ook de laptop begon opeens te groeien, net als het wezentje op de L van het toetsenbord. Wacht even, dacht ik... De laptop groeit niet... ik krimp! En warempel: ik had de hoogst onwaarachtige ervaring te mogen meemaken hoe ik kleiner en kleiner werd, als Alice, nadat ze van haar paddenstoeltjes gesnoept had.... Voordat ik het goed en wel wist stond ik naast het wezen en zijn ruimteschip. Nu ik naast hem stond wist ik even niet zeker waar ik het eerst naar moest kijken: dat vreemde wezen naast mij, of de ENORME, GIGANTISCHE ruimte die mijn kamer was geworden. De deur aan de andere kant leek wel honderden kilometers ver en honderden kilometers hoog. Dit krankzinnige perspectief was zò overweldigend dat ik dan maar mijn aandacht op het wezen naast mij richtte. We waren nu beide even groot. Zijn lichaam vertoonde inderdaad opvallend veel kenmerken met dat van u en mij: benen met voeten, paars, armen en romp, groen, en zijn hoofd... Mijn mond viel open. Zijn hoofd was Frans Bauer. Niet ècht Frans Bauer natuurlijk, maar een soort plastic-wax versie ervan. Met een heldere blik in zijn ogen keek het wezen me aan. Het opende zijn mond en sprak in perfect Nederlands: 'een goedemiddag.' Nu had ik tot dusver geen reden om aan te nemen dat het wezen mij kwaadgezind was. Was dat wel zo geweest, dan had hij me wel met een plasma-X-ray tot nano-pulp gereduceerd, in plaats van me te verkleinen. Dus ik dacht: hij vriendelijk, dan ik ook vriendelijk en ik zei: 'een goedemiddag... uh... meneer Frans.' Het wezen glimlachte. 'Ik nam deze vorm aan in de hoop u niet al teveel schrik aan te jagen, waarde heer. Mijn ware vorm is... anders.' 'Nou' zei ik, 'dat is vriendelijk van u... Wat, als ik vragen mag, brengt u naar hier? Naar deze planeet en mijn... toetsenbord?' 'Ik ben op verkenning' zei Frans. 'Voor mijn volk ben ik op zoek naar geschikte planeten om op te leven, want onze eigen planeet hebben we per ongeluk opgeblazen.' 'Oei', zei ik. 'Dat is onhandig...' 'Een beetje wel ja, dat geef ik toe' zei Frans. 'En ik zie al dat uw planeet niet geschikt is, waarde heer. Op een planeet vol reuzen zouden wij niet lang overleven.' Wij spraken daarop af dat ik hem iets van het land en de wereld zou laten zien en dat deed ik. Ik legde hem uit hoe het kwam dat wij een koning hadden die met wc-potten werpt en waarom het ook alweer was dat Trump president werd. Daarvan raakte het wezen zo in de war dat hij een splijtende hoofdpijn kreeg en snel zette hij me weer af op mijn toetsenbord. 'Het spijt me' zei ik. 'Wij mensen zijn nu eenmaal vreemde wezens.' 'Inderdaad' zei Frans, en wreef over zijn pijnlijke hoofd. 'Edoch' zo sprak hij en maakte een lichte buiging, 'ik dank u, waarde heer, voor uw gastvriendelijkheid.' 'Geen probleem' zei ik. 'Gij ook bedankt voor uw verschijnen en veel succes bij uw zoektocht. Ik zou eens op onze buurplaneet gaan kijken, als ik u was. Daar is nog alle ruimte.' 'Dank u, waarde heer' sprak Frans, en nam zijn verkleinpistool van zijn zij. 'Een ding nog', zei het wezen. 'Die Patty Brard van jullie? Da's ook een alien.' Ik schoot in de lach. 'Dat idee hadden wij zelf ook al.' Plastic-wax Frans Bauer frunnikte wat aan zijn pistool, richtte het op mij en haalde de trekker over. Even later had alles weer zijn normale afmetingen aangenomen. Het wezentje zwaaide nog even en stapte in zijn ruimtescheepje. De kleine amandel steeg op van mijn toetsenbord en met een zacht zoemend geluidje vloog het zo het raam uit. Ik leunde achterover in mijn stoel en dacht: 'sodeju zeg. Is het alweer augùstus?'
  5. Demion

    Drugs!

    Dat je opeens op magische wijze psychedelische patronen ziet verschijnen in de bodem van je wasbak, terwijl je erin staat te plassen. Natuurlijk had je twee uur geleden een lsd-trip genomen, maar toch: het blijft een speciale ervaring. Sta je daar, volledig overdonderd door wat je overkomt, naar dat afvoerputje te staren, als daar langzaam en statig een veelkleurige draaikolk van langzaam in zichzelf draaiende iriserende kleuren en patronen steeds opnieuw zichzelf uitvindt en eindeloos, echt èindeloos fascinerend is... Tenminste, zoièts, in elk geval. Want in werkelijkheid heb je geen idee. Wat de wereld is, of je plaats daarin, of je misschien wel krankzinnig bent. Want het alternatief, dat alle ànderen dat zijn, lijkt meer en meer onwaarschijnlijk... Pijnstilling, dat is wat nodig is. Ontsnapping. Verdoving. Niets meer voelen, dan het effect van de drugs. Wij zijn allen junks. En zo trip ik vrolijk verder. Mijn wereld is grenzeloos, mijn nieuwsgierigheid eindeloos. Naar alles, iedereen, altijd. Geestvermogen. Alles is altijd nieuw. Vandaar de verwondering.
  6. Mijn naam is Ichabod Kraan. Ik ben wat u noemt een sprookjesfiguur. Op de oude vergeelde bladzijden van menig dik boek beleef ik avontuur na avontuur en haal de gekste fratsen uit. Zo was ik onlangs nog verzeild geraakt in een groot en donker bos. Ik was op weg naar een tovenaar. Een woeste man met een woeste baard en een heilig vuur in zijn ene oog; hier viel niet mee te sollen! Desondanks had ik met dit onguur sujet nog wel een goudrenet of twee te schillen. Hij had me knollen voor citroenen verkocht en een kat in de zak gedaan, en tegen de tijd dat ik thuis was gekomen was ik veranderd in een magische boon. Ik heb daarop mezelf maar geplant en zo werd ik Ichabod Kraan: een toegewijd sprookjesfiguur. Aldus in mijzelf wat mijmerend liep ik bij boom drie de hoek om en daar stond op mijn pad een huizenhoge spin. Wel acht meter hoog was hij, met grote harige poten die stonden als een huis. 'Een goedendag, meneer Spin!' zo sprak ik beleefd. (Ik wist dat het een meneertjesspin was omdat ik tussen de achterste twee van zijn poten een stel guitige teelballetjes in de wind had zien swingen.) 'Waarmee kan ik u van dienst zijn vandaag?' zo zei ik, en stelde mij daarmee coulant en toeschietelijk op. 'Welnu, gij pietluttig mensenkind!, zo sprak de spin met zware stem, 'ondanks dat ik u wel amusant vind, had ik gedacht dat gij liever als lunch zou fungeren!' 'Nou nee, meneer Spin' riposteerde ik kek en gevat, 'dat zal helaas niet gaan! Ik moet met gezwinde spoed vandaag nog een magisch hoofd van de romp gescheiden weten en u, met uw harige poten, u zult mij daarbij niet in de weg staan!' 'Maar ik zie niet in', zo sprak de spin, niet in het minst geïntimideerd, 'hoe gij enige keus zal hebben? Ik ben een grote spin, en gij slechts een klein onderkruipsel!' 'Dat is misschien wel waar', riep ik toen, '...maar ik heb dit!' en ik haalde vanonder mijn mantel een tot dan toe verborgen vlijmscherp zilver zwaard en hieuw met een ferme slag zijn beide arachnotestikels pardoes in twee. Prompt begon meneer Spin door merg en been te krijsen en wist van ellende niet meer waar ie het zoeken moest, waarop hij zich maar in de dichtstbijzijnde lavaput stortte. Aldaar lag hij met de poten omhoog op zijn rug nog even wat weg te schroeien. 'Opgeruimd staat netjes!' sprak ik opgewekt en monter flierefluitend vervolgde ik mijn weg. Na nog wat vage omzwervingen was ik dan toch bij het huisje van de tovenaar aanbeland. Het was een klein en geniepig trollenkrotje, in alle richtingen giftig dampend van een welhaast tastbaar afgrijzen. Voorts was het nog voorzien van een gevaarlijk slijmerig dakje en een schots en scheefstaande schoorsteen die maar dikke wolken rottend kookvocht het donkere bos in bleef braken. Spinnen zo groot als voetballen kropen door het overwoekerend struikgewas en joegen daar op pluizige kittens, om ze dan piepend en wel met hun kwijlende kaken uit elkaar te rijten. Niet echt een gezellig sfeertje, zullen we maar zeggen. Natuurlijk had de tovenaar mijn aanwezigheid al opgemerkt en nog voordat ik goed en wel goedendag had kunnen zeggen kwam hij al luid krijsend uit zijn donker hol gestoven, om mij terstond in allerlei archaïsche talen met hel en doemenis te vervloeken. Kalm en onaangedaan, beschermd als ik was door een zalfje van Tegen-Alle-Spreuken.dot.com nam ik uit mijn knapzak een doorgeladen Beretta APX tevoorschijn en schoot van dichtbij acht dumdum-kogels in zijn ene oog. Gorgelend stortte hij ter aarde. Met een kille blik in mijn doffe ogen boog ik mij voorover. 'Je had niet met me moeten fukken, maat' siste ik in zijn dooie oor. Terwijl ik nonchalant wegliep wierp ik nog een granaat over mijn schouder. Als het trollenkrot met een krachtige explosie aan gort werd geblazen sprong ik op de rug van mijn tyrannosaurus, en samen banjerden wij richting de einder, op zoek naar een nieuw avontuur. Ach, zo zal het altijd wel gaan. Mijn naam is Ichabod Kraan, een toegewijd sprookjesfiguur. :)
  7. Demion

    This is the End

    Dus dat president Frump, president Folsonaro, president Fassad, president Kim Jong-Fun en natuurlijk president Foetin de vettige handjes ineenslaan en rigoureus besluiten elkander te bestoken met zestienduizend nucleaire bommen en daarmee heel het leven op Aard in èèn klap uitroeien. Dat zou zomaar kunnen. Maar ach, gaat het niet die kant op, dan zakt binnenkort wel de complete ijskap van Groenland in èèn keer de zee in, waardoor wereldwijd het zeeniveau in èèn klap met zes meter stijgt. Zie je, het is dààrom dat wij, als mensheid, nog niet benaderd zijn door welkeender ander ruimte-ras dan ook: geen van hen, althans niet in onze sector, kwam ooit voorbij het punt waarop wij ons nu bevinden: dat ons aantal zò groot geworden is dat wij ons eigen planeet volledig verwoesten. Dus dit, lieve mensen... ...is ons gezamenlijk einde. Enjoy. :)
  8. Demion

    Mathilda's horror

    Er zat een slak in het mais. Zijn naam was Jakob. Jakob leidde een goed leven. Er was voedsel zo ver zijn ogen op hun steeltjes reiken konden en nòg veel verder, en in deze schemerwereld van onnatuurlijk dicht opeen staande stammen van maisplanten waagde zich geen natuurlijke vijand. Zich aldus onbekommerd volvretend groeide Jakob uit tot een slak van waarlijk epische proporties. Eerst nog maar enkele centimeters, maar al snel waren het er tien, toen twintig... Binnen een paar weken was Jakob al een halve meter lang, en het huisje op zijn rug, dat proportioneel met hem mee groeide, woog inmiddels zestien kilo. En Jakob vrat maar en hij vrat maar, en groeide vrolijk verder. Een steeds luider wordend 'tjomp-slobber' kon des avonds en nachts uit het maisveld worden waargenomen, als Jakob met zijn slappe natte slakke-kaken meer en meer maisplanten in z'n geheel naar binnen schrokte. Naarmate zijn lichaam groter werd groeiden zijn hersens natuurlijk ook, en hij kwam al snel op het lumineus idee om zich alleen nog maar in de duistere uren op zijn alomvattend vreetwerk te storten, zodat hij des ochtends zich schielijk in zijn kalkstenen bunker kon terugtrekken. Die legde hij, heel clever, elke morgen plat op zijn zijde, zodat hij nog minder opviel. Dat, plus het feit dat het hier een genetisch ernstig gemodificeerde maissoort betrof, die tot wel drie-en-een-halve meter hoog kon groeien, maakte dat het bijzonder lang duurde voordat Jakob door de buitenwereld werd opgemerkt. Op een mooie zomeravond fietste Mathilda op haar omafiets langs de eindeloze maisvelden. Zeventien lentes jong was zij, en zo mooi en puur als een zijden lelie in een bad van honing. Zoals dat gaat met die jeugd van tegenwoordig was haar aandacht helaas geheel niet op haar omgeving maar op het schermpje van haar telefoon gericht, en samen met de draadloze oordopjes in haar lieflijke oorschelpjes zorgde dat ervoor dat zij zich geenszins bewust was van het feit dat slechts een paar meter van haar verwijderd zich een slak bevond van twaalf meter lang, drie meter breed en zevenduizend kilo zwaar. Zouden wij een blik als van hoog boven naar beneden werpen, dan zouden wij zien hoe Jakob in een paar maanden tijd het enorme maisveld van binnen naar buiten in steeds groter wordende concentrische cirkels had kaalgevreten, en nu was hij aanbeland bij de laatste paar rijen. Zijn enorme slobberkaken openden zich en zogen als het ware hele rijen planten tegelijk naar binnen, en opeens hadden zijn bolle ogen, nu zo groot als skippyballen, vrij zicht op de fietsende Mathilda. 'Wel, verrek', dacht Jakob. 'Wat is me dat voor een vreemd wezen?' Hij slobberde langzaam naderbij en liet daarbij de grond trillen onder zijn immense gewicht. Mathilda voelde iets trillen en keek op. Een twintigtal meters verderop werd de weg versperd door een gigantische slak, die met langzaam heen en weer deinende grote bolle ogen op haar neerkeek. Mathilda's mond zakte open. Haar telefoon gleed uit haar hand en kletterde op het wegdek. Haar ogen werden groot als schoteltjes. Ze vergat te gillen. Dit was... Nee. Er weerklonk een luidruchtig 'tjomp-slobber' en weg was Mathilda. Levend en wel verdween zij met het hoofd vooruit in de dikke donkere slijmerige ingewanden van Jakob, alwaar zij in een mum van tijd door een giftige soep van zoutzuur en maisresten verteerd werd tot er niets meer van haar overschoot dan een zijdeachtig pulpje. Jakob trok een gezicht, rekte zijn enorme kaken van links naar rechts en met een grondige rochel spuugde hij Mathilda's omafiets weer uit. 'Wel, verrek' zo dacht hij verrukt, 'dat smaakt... haast naar honing!' Hij draaide zich om en begon richting de ondergaande zon te slobberen, op zoek naar nieuwe maisvelden. En wie weet, misschien waren er nog wel meer van die vreemde kleine honingwezens... Mathilda's fiets bleef op het wegdek achter. Het omhoog gestoken voorwiel draaide nog een tijdje rond en bleef toen stilstaan. :)
  9. Demion

    Drentelen

    Drentelen Er zaten wel twintig kraaien in het grasgroen heuvelland vrolijk krassend naar elkaar wijl nu eens die, en dan weer deze zich sierlijk uit het gras verhief om naar even verderop te vliegen schijnbaar, zomaar In de verte ligt het land zonbeschenen lui te zijn dit is de wijd open wereld en de hemel boven mij is ultramarijn Het is lente in de winter sluit mijn ogen, en geniet kraaien krassen in de verte maar het deert me niet
  10. Constitutionele heropstartprocedure Exceptionele manuele transfiguratie pseudo-mentale herijkingsmechanica affreus nefarieuze neuzelarij en kleine zwarte balletjes maar geen pingpongtafel, edoch klossende ossen hunner harige staarten dobberen statig gestaag door de straat van Gazpacho hartig gegarneerde quiche van artisjokken dromerig zo romig werd het dessert elk een kelk dromedariskarnemelk dan, vooraleerst nog met ferme tred doch alras naarstig een spurtje getrokken en route du tranquil kabbelend loo oh het porseleinen pretcloset waar ruig de huig nog vernacheld langs rancuneuze regurgitatis dwarreldampende bonificaties en andere helse overpeinzingen smeuïg de boventoon voeren vermits dewelke, dat had u krek gevat een verrekte trek te stillen had! Bonen, bonen appetijt! :)
  11. Demion

    Gedachtestromen

    Gedachtestromen Beurtelings bewegen mijn benen zich langs elkander. Zoals dat hoort, bij het lopen. Ik observeer dit. Ik observeer dat ik dit observeer en ik denk: ik ben godverdomme goed bezig. Maar of ik het ga halen, dat weet ik nog niet. Mijn einddoel: het thuis zijn. Waar het warm is, en muziek. En de wereld? Wat is de wereld? De wereld is overal om mij heen. Dat om te beginnen. Verder kan ik rapporteren dat in het dorp alles vredig lijkt. De hemel boven mij kleurt langzaam donker, de dag loopt op zijn einde. Een nieuwe lente is begonnen. Zoals over het algemeen wordt aangenomen dat de Aarde met haar zwaartekrachtveld mij aan zich gebonden houdt zou ik net zo goed kunnen beweren dat ik het zelf ben die zich vrij door de ruimte beweegt en het de Aardplaneet is die aan mijn voeten hangt, en geen mens ter diezelfde planeet, hoe schrander hij of zij zichzelf ook achten moogt, zal van enig tegendeel bewijzen kunnen. Ik ben mijn eigen God. De fijnmotorische coördinatievaardigheden die vereist zijn bij het bijvoorbeeld rollen van een jointje, alsook het enigszins consequent de juiste toetsen op het bordje weten te raken hebben de neiging na drie dagen achter elkaar wakker te zijn geweest danig aan exacte precisie en doelgerichtheid in te leveren op zichzelf, doch het dichtmachientje, dat wonderbaarlijke verhalen vertellende apparaatje achter mijn ogen functioneert in hoge mate. De ene na de andere als zachte stroop vloeiende volzin rolt als kandij voor de geest via mijn toetsenbord de wijde wereld in. Milde zinsneden dartelen zichzelf vervoegend over het digitaal papier van het scherm en door uw helder stralend bewustzijn, waarde lezer. Beurtelings bewegen mijn benen zich nog altijd langs elkander. Zoals dat hoort, bij het lopen. Ik ben nu bijna thuis. Daar doemt in de verte al het mergelstenen kasteeltje op dat ik sinds jaar en dag mijn bescheiden onderkomen mag noemen. Althans, het schattig kleine zolderappartementje daar bovenin, waar dat zachte licht door het raam naar buiten schijnt. Ik ben bij de poort aangekomen. Ik toets geheel foutloos de juiste code in op het kleine paneeltje en het hek schuift aangenaam loom en iets van krakend aan de kant. Kom binnen, lijkt het te zeggen. Welkom thuis.
  12. Het waften der sporadische gelukkeling Kent gij de psychonaut? De zeevaarder van de ziel, zoals zijn ware naam luidt, brengt graag zijn door God gegeven tijd van leven op deze mooie Aardbol door met het onder invloed van een scala aan psychedelische en vaak ook hallucinogeen-entheogene heksendranken en kruidenmengsels doorsurfen zijner eigener geest-universum, van diens diepste krochten tot helemaal hoog de hemel in. Psychedelisch is van de geest geopenbaard, hallucinogeen is eindeloos veel kleurtjes en indrukwekkende visioenen en entheogeen, dat is afkomstig van de god in onszelf. Zoals de wijsheid van de sjamaan onder invloed van de groene godin Datura ons tienduizend jaar geleden van het duister van de grot naar buiten begeleidde, zo is heden ten dage uw dichtstbijzijnde dealer of smartshop leverancier geworden van wat wel geestverruimend genoemd wordt: spirituele explosie, uitgebreid ervaren en hogere inzichten. Het zacht zwevend overschrijden van veelal volstrekt imaginaire grensgebieden, alleen om te ontdekken wat daar nog achter ligt: nieuwe werelden, eindeloos veel. Voortgedreven door een diepgewortelde nieuwsgierigheid naar de aard van het wezen danst de psychonaut langs de eindeloze kustlijn van zijn innerlijke wereld. Wat is daar nog, zo wil hij weten, daar achter de horizon van dat donker woelig water dat zich uitstrekt voor zover het derde oog kan zien? Welke stralende godheid of gloeiende demon wacht daar op hem, en wat hebben ze voor hem meegebracht? Duivelse zwarte nachtmerries of eindeloos zacht en vriendelijk licht, het is om het even, altijd al geweest: alles wordt ervaren ter verrijking van geest. Dus dans maar, zeeman van ziel, dans rond het kampvuur heel de nacht lang, dans in de ban van het licht van de vlammen, laat alles los en wees vrij... Kent gij het psychonautisch wezen? Het vrijwillig tot zich nemen van meerdere narcotische substanties achter elkaar en door elkander dient het best aan de ervaren psychonaut te worden overgelaten. Voor de beginneling in de illustere wereld van het illukraak consumeren der wonderlijke middelen mocht dit nog wel eens tot enige ongewenste en niet te benijden resultaten leiden. Dat men plots in het geheel niet meer weet waar nog naar zijner kluts te zoeken, alsook het niet langer in het bezit zijn van zijn voorheen zo voorradig vermogen om nog tot enig zinvol gewauwel te komen zijn maar enkele van de effecten die men verwachten mag, zo men niet een beetje oppast. Zijt gij echter zulk een sporadische gelukkeling dat gij in staat zijt gebleken ook na het nuttigen van verscheidene psychedelica nog steeds een samenhangend verband waar te nemen tussen de wereld van nu en die van een vluchtig moment geleden, prijst uzelf dan, niet uitbundig, maar bescheiden, gelijk uw zachtaardige aard is, want alleen dan doet zich een ongekende mogelijkheid voor zich in anderszins niet te kennen bewustzijnstoestanden te begeven, te zien wat daar wellicht nog voor vreemde wezens leven en waaruit hun motivaties en dromen en angsten bestaan, vooraleer gij later weer zij het dankbaar maar even naar die ware wereld terugkeren moest om te zien of daar nog steeds alles hard en reëel recht was. De effecten van alle substanties tezamen waften nu vredig door elkaar heen in mijn sponzige hoofd, als doen de wolkerigste gedachten de een na de ander zacht door elkander drijvend langs mijner wollige geest. Aan diepe sporen te zien is het een prachtig feestje gebleven en even blijf ik nog dromen van die donderende waterval aan beeld en emotie zoals ik de wereld beleef, soms in het zonlicht, soms in de willekeurige regen. Het nachtelijk uur schrijdt voort. De tijd verglijdt subtiel van seconde. Een enkele druppel bewustzijn valt voor eeuwig verlicht. Alles wordt eindeloos. Of is het dat altijd geweest? Dit was het sporadisch waften voor nu. Dit was het waftenfeest.
  13. Demion

    Mannetje Sakkerloot

    Mannetje Sakkerloot Er was eens, ooit, in een twijfelachtig universum waar de dingen vaak net even iets anders liepen dan u gewend was, een mannetje. Mannetje Sakkerloot, zo heette hij. Niemand wist zeker of dat zijn echte naam was, maar iedereen noemde hem zo omdat hij voortdurend 'sakkerloot' zei. Te pas en te onpas. Echt, de hèle tijd. Tot je er een beetje tureluurs van werd. En eerlijk is eerlijk: sommige mensen werden dat ook. Hartstikke krankjorum, is misschien beter gezegd. Moordplannen werden er al gesmeed, door deze mensen. En kidnapplannen. Allerlei nare plannen. Het was dan ook vrij onsympathiek volk. Van de andere kant: geef ze eens ongelijk. Hoe vaak zou u op 'n dag 'sakkerloot' kunnen horen voordat het u grijs voor de ogen werd? Nu had Mannetje Sakkerloot het geluk dat hij in dienst was van de koning. Hij was bibliothecaris van de uitgestrekte verzameling boeken, perkamenten en papyrusrollen waarvan zijn vorst de trotse bezitter was. De bibliotheek bevond zich diep in de zompige kerkers en kelders van het oude kasteel. Tegen de klamme stenen wanden stonden metershoge boekenkasten zwaar door te buigen onder het immense gewicht van alle opgeschreven informatie die er op dat moment in de wereld te vinden was. Al snel voldeed de kastruimte niet meer en werden eeuwenoude manuscripten en rollen vol toverspreuken dan maar centraal op de koude tegelvloer opgestapeld. Na jaren van fanatiek verzamelen door zijn nobel broodheer waren de bedompte kelders en kerkers van het kasteel veranderd in een woud van wankele stapels en krakende bergen van kisten vol boeken, losse geschriften en stoffige aktemappen vol kladblaadjes met alchemistische berekeningen en de exacte locatie van Excalibur, het legendarische zwaard van koning Arthur himself, nota bene. Slechts schaars verlicht door enkele sputterende walmende olielampjes die met kettingen vanaf het ruwe plafond naar beneden hingen, de verstikkende damp van schimmel, oud vocht, rottend perkament en rattenkeutels plus het voortdurende instortingsgevaar zorgden er wel voor dat Mannetje Sakkerloot meestal het rijk alleen had, daar beneden. Dat vond Mannetje Sakkerloot helemaal niet erg. Enthousiast boekofiel als hij was kon hij eindeloos door die lange schimmige gangen vol meesterwerken dolen, dan eens hier een magisch naslagwerk oppakkend, dan weer daar een mysterieus geschrift in een vergeten taal ter hand nemend, en bij elke nieuwe fascinerende vondst klonk er weer een zacht gepreveld 'sakkerloot' door de ondergrondse gewelven. Mannetje Sakkerloot was gelukkig, daar in zijn verborgen universum van kennis en wijsheid en hij had daar best tot in lengte van dagen in zijn eentje kunnen rondscharrelen en 'sakkerloot' tegen zichzelf mompelen, maar dat zou maar saai zijn, nietwaar? Dus op een dag, toen aliens uit de ruimte het kasteel aanvielen met vreemde asymmetrische steampunk-ufo's vol stoommachines en analoge computers nam Mannetje Sakkerloot een voor velen onverwacht besluit. Terwijl robijnrode laserstralen het oude vermoeide kasteel in stukken en brokken uiteen lieten donderen en de doormidden gezapte lichamen van pages en narren en ander kasteelpersoneel langs de afbrokkelende muren naar beneden kwamen zeilen om her en der met luide vochtige pletsen neer te paffen gooide Mannetje Sakkerloot opgewekt een knapzak met daarin zijn belangrijkste bezittingen over zijn schouder en trok de wijde wereld in. Voordat hij de poort van het kasteel definitief achter zich dicht trok had hij nog èèn keer langs zijn geliefde boeken gedwaald. Dan had hij een olielampje van zijn ketting genomen en dat in de duistere diepte van de perkamenten canyons gesmeten. Heel even gebeurde er niets. Toen een luide woesj, een felle oranje gloed en een golf van zinderende warmte door de klamme kilte van de kerker. Mannetje Sakkerloot veegde een traan uit zijn oog, draaide zich om en liep weg. Als wij hem weg zien wandelen in de richting van een eenzame zonsondergang zien we tegen de achtergrond van zijn heen en weer deinende knapzak hoe de aliens de strijd tegen hun middeleeuwse tegenstanders effectief beslechten door het kasteel en zijn wijde omgeving met een plasma-inversie-bom in èèn grote geluidloze flits tot op kwantummechanisch niveau in de as te leggen. Mannetje Sakkerloot beleefde nog vele doldwaze avonturen en spannende belevenissen. Hij leerde ook iets minder vaak 'sakkerloot' zeggen zodat de mensen om hem heen niet meer onmiddellijk een gruwelijke pesthekel aan hem hadden en onbewust hun messen en dolken begonnen te slijpen als hij in de buurt was. Uiteindelijk vond hij in de late herfst van zijn leven zelfs nog troost in de boezem der liefde, alhoewel die vooraleerst aan Saartje toebehoorde. Samen betrokken zij een leegstaand konijnenhol in de Mistige Wouden en maakten daar hun thuis. Het muffe vochtige beschimmelde hol vol wormen en ander gewriemel deed Mannetje Sakkerloot met enige weemoed terugdenken aan zijn geliefde bibliotheek en hij voelde zich er al snel op zijn gemak. Saartje helaas niet. Die werd helemaal psychotisch in die klamme graftombe en moest uiteindelijk gillend en schreeuwend en wild om zich heen slaand en trappend, woest schuimbekkend en met rollende ogen afgevoerd worden terwijl ze halfnaakt en met een wilde haardos allerlei obsceniteiten uitkraamde in de richting van de ambulancebroeders. Behoorlijk dramatisch allemaal. Hierna trok Mannetje Sakkerloot zich steeds verder terug in de duisternis. Het konijnenhol begon langzaam te verzakken. De statige oude eik die al eeuwenlang met zijn knoestige wortels de ingang van het hol had bewaakt ging dood. Later werd het hele gebied platgegooid en kwam er een meubelboulevard. Van Mannetje Sakkerloot werd nooit meer iets vernomen. En toch... Er wordt gezegd, maar wie geloofd dat nog, dat als men op de heren-wc van de Ikea op een warme zomeravond toevallig eens zijn blaas staat te legen en dan zijn oor heel goed tegen het kalmerend mintgroen tegelwerk plakt èn een beetje geluk heeft, men nog steeds in de diepte een zacht en verbaasd gepreveld 'sakkerloot' kan horen.
  14. Demion

    Sterren van Parallax

    Sterren van Parallax Later als ik groot ben wil ik intergalactisch pornoster worden. Dat ik bij vele volkeren en rassen verspreid over een immens planetologisch imperium van wel drie parsecs in doorsnee bekend zal staan als 'Demion de Broeierige'. Een parsec is een afstandsmaat uit de astronomie en is 3.261.631 lichtjaar ver, dus kun je nagaan hoevèèl volkeren en rassen. En alleen in smààkvolle films, welteverstaan. Jawel. Dus niet van die kleffe zielloze vleesbeukerij zoals dat in die oude Aardse klassiekers nog wel eens te zien was, neen! Ik zou een heer van mijn vak zijn, een koene ridder op het erotische witte doek der verlangen, met zijn lans stram vooruit galopperend door de sensuele tuin der lusten uwer lendenen, oh vrouwe... Nou ja, zoiets, in elk geval. Iets met smaak. Een weloverwogen soft focus cameravoering, gedimd indirect diffuus licht, mysterieus hemels grijs omhoog kringelende Annapuraanse wierook, van Egyptisch zijde en Satirisch satijn bekleedde kussens belegd met pure rozenblaadjes, hedenochtend nog vers geplukt aan de oevers van de Oosterzee. Gelegen op een klein vroeg-Etruskisch schaaltje de eerste aardbeien uit de tuin, gedompeld in de eerste room van de koe. Druipend van smaak. Schuberts beroemde sonate 'Du sachte Herzen der Liebe und Freude' die zachtjes neerdrentelt uit smaakvol in de achtergrond weggewerkte high-end StereoSonic® luidsprekers. Een met het fijnste filligrijnzilver beëtste drankenkoeler staat beschaafd condenserend een fles Maron du Sud '98 te koelen, een van de drie laatste nog overgebleven exemplaren. Gerschtanowitzkristallen glazen natuurlijk, van honderd procent zuiver karaat, en op een zilver plaviertje daarnaast nog enige ronde toastjes met daarop smaakvol georiënteerd een dotje Burlofski-kaviaar, de beste ter wereld. Nou ja, van dèze wereld, haha! Dolletjes... Hoog opgeleid zou ik zijn, met een intergalactisch gewaardeerde smaakvolle etiquette onderlegd, belezen en zeer intelligent alsook beroepsplichtig zowel als privé van een stram afgewerkte fysiek voorzien, altijd volgens de laatste smaakvolle mode gekleed en aan iedere arm het sprankelend gezelschap van een interplanetair lekker mokkel of twee zou ik uitgenodigd worden op imperiumwijde premières en openingen, gala's en ballen en andere feesten met gouverneurs, baronnen en Tessmachers, toneelvoorstellingen bezoeken met ambassadeurs en presidenten en lezingen geven aan selecte gezelschappen van interfeoderale planetabelen en voorzitters van handelsraden, overlegorganen en studiegroepen. Ik zou een weldoorlicht en stralend voorbeeld zijn voor ieder lid van elk van de ontelbare rassen en volkeren in heel ons verenigd planetarium, een glanzend en glimmend standbeeld en eerbetoon aan de grandioze kosmische evolutie van wat ooit, in een onnoembaar ver verleden op een klein blauw planeetje in een duffe uithoek van het universum begonnen was als dromer en mensheid. Ja, dat lijkt me wel wat. Of piloot.
  15. Demion

    Ten oosten van Terneuzen

    Ten oosten van Terneuzen Het zou kunnen dat ik ergens halverwege dit stukje dood neerval, dus ik zal het kort houden. Dat zou een goede openingszin kunnen zijn. Hij grijpt direct de aandacht en laat vervolgens niet meer los, waardoor u haast wel gedwongen wordt in èèn ruk naar het einde toe door te lezen. De magie van goed schrijverschap. Desondanks is het natuurlijk waar: ik zou inderdaad ergens halverwege dit stukje zomaar ter vloere kunnen neerzijgen en met mijn laatste adem de pijp uit blazen zodat die terug naar Maarten kan. Dat kan. Elk mogelijk moment, elke volgende seconde, en dit geldt uiteraard ook voor u, kan het voorbij zijn. Er breekt ergens iets in dit fragiele systeem, iets cruciaals, en het is gedaan met de pret. Lampjes uit, einde verhaal, bedankt voor de bloemen. Dat wij, mensensoort, voor zover bekend als een van de weinige levende wezens in onze omgeving zich bewust is van zijn eigen eindigheid en zich door die verpletterende gruwelijke onvermijdelijkheid nochtans nauwelijks uit het veld lijkt te laten slaan geeft getuige van het opmerkelijk vermogen onszelf gedurende dit korte leven met zoveel mogelijk onzin en poeha te omringen, alsom ons maar vooral niet bezig te hoeven houden met dat ongenaakbaar naderend monster dat is de dood. Een enkele keer, als u weer eens omgeleid wordt na een bloederig ongeluk op de A2, op de crematie van oma toen u zestien was of gewoon, op een zaterdagmiddag op Facebook, komt het voor dat magere Hein met zijn zeis even tussen de bladzijden door naar buiten glipt en iets levends uit ons universum wegsnaait, maar afgezien daarvan storten wij ons over het algemeen hals over kop en blind vooruit in de krankzinnige maalstroom van dit bestaan en zien we wel waar het feestje eindigt. Men zou derhalve oprecht kunnen stellen dat een mensenleven èèn groot aaneengeschakeld struisvogelpolitiekbonanza is. Dat gezegd hebbende: voor hetzelfde geldt bestaat u en zelfs de rest van de wereld helemaal niet echt en zijt gij allen slechts een vrij complexe hallucinatie in mijn hoofd, en dat ik dan niet een mens ben zoals u, maar een voor uw beperkte bewustzijn niet te bevatten multidimensionaal en buiten de tijd bestaand wezen dat na inname van wat in dat bestaan voor magische paddenstoelen zou moeten doorgaan daar helemaal slecht op gaat. Bad trip. Groen zien, weet je wel. Dat kan natuurlijk ook. Mocht u dat als een onwaarschijnlijk of zelfs geschift scenario in de flapoortjes klinken, bedenk dan dat Super Mario waarschijnlijk hetzelfde zou reageren als iemand hem vertelde dat hij eigenlijk geen loodgieter was maar slechts een stel elektronische impulsen en verspringende pixels. Nog onwaarschijnlijker is het dat ik een verdichtsel van ùw verbeelding zou zijn. Niet dat ik iets tegen uw verbeelding heb hoor, in des geheels niet, maar als ik werkelijk uit uw fantasie voortkomen zou dan had ik mezelf wel iets beter aangekleed. Dit geeft ook geen sjoege. Kort gezegd: daar, in die een-tot-anderhalve kilo sponsbloemkoolachtige wit-en-grijze massa tussen die toch wel charmante luisterschelpjes van u, bestaande uit neuronen en dendrieten en axonen die onderling meer mogelijke verbindingen kunnen aangaan dan er sterren in het bekende heelal zijn, waar op nanotechnische schaal een voortdurende uitwisseling plaatsvindt van elektronische impulsen, neurotransmitters, hormonen en potentialen en er zelfs op kwantummechanisch niveau activiteiten plaats lijken te vinden die iets significeren dat op bewustzijn lijkt aan te komen, dààr vindt de ware overdracht plaats van potentiële buitenzintuiglijke waarden naar een kraakrealistische innerlijke ervaring van de echte wereld in al haar complexe onderlinge interacties en verschijningsvormen. Althans, zo denken de rationele mensen erover. Er zijn ook meer oosters ingestelde filosofieën aan te wijzen die argumenteren dat het juist andersom is, dat bewustzijn er eerst was en daaruit materie is voortgekomen, maar als men in die richting gaat denken zou het wel eens kunnen dat u in een diep en duister konijnenhol lazert van een meisje dat Alice heet en daar nooit meer uit ontsnapt, en dat wil ik u niet aandoen. Het is zo'n mooie dag vandaag. Dus gaat heen, menswezen, en procreëer. Maar niet teveel.